Toen ik opgroeide was men er altijd voor elkaar. Kinderen grootbrengen deed je samen met familie, vrienden en de wijk. Ook al hadden we het zelf niet breed, de deur stond altijd open voor vrienden en plaats aan tafel voor een eter was geen probleem. We deden gewoon wat water bij de soep.
Delen ging heel vanzelfsprekend. Kreeg ik 10 koekjes hadden we allemaal koekjes en kookte mijn moeder frietjes at de halve buurt friet. Pannetjes soep werden door de hele buurt gebracht als de buurvrouw ziek was en kinderopvang kenden wij niet. Opa en oma paste op en leerden ons respect voor mens en natuur.
Mijn vader groeide op in de bekende Tegelse arbeiderswijk “ut Roëd dörp” in een tijd waarin armoede een welbekend probleem binnen bijna elk gezin. Wat ik altijd enorm bewonderd heb waren de
verhalen over hoe zij als kleine gemeenschap samen kwamen om voor elkaar te zorgen ondanks dat niemand “veel te makken” had.
In mijn kinderlijke gedachten was dat hoe geluk eruit zag: een heleboel mensen die samen zorgen voor elkaar en de mensen om zich heen.
Toen ik ouder werd realiseerde ik me dat dat niet altijd zo is en dat de wereld een koude eenzame plek kan zijn als je geen maatschappelijk draagvlak of vangnet hebt maar wat ik ook leerde was dat wij zelf dat ene vangnet kunnen zijn. Simpelweg door het maken van 1 Klein gebaar en het geven van 1 luisterend oor aan iemand die het financieel niet red..
